1 | 2 | 3 | 4 | 5


Zeldzaam Huisdier van augustus '04

DE BOERENFOX

Nederlands laatste landras?
Door Marcel Nijland

Toen ik als zevenjarig knaapje het Verkade-album “De Boerderij” van H.E. Kuylman (1936) van mijn oma kreeg, heb ik één passage over en over gelezen. Het was het verhaaltje van Pretty, een boerderijhondje. Het bijgaande plakplaatje toont een smetteloos wit, kortharig hondje met zijdelings wegvallende oortjes en een halverwege gecoupeerde staart. Mijmerend boven het boek droomde ik van een hondje waarmee ik de ‘natuur’ in kon trekken, destijds niet meer dan een stekelig plantsoen achter ons huis.

Nostalgie
‘Nog eens komt de ulk terug en als hij opnieuw toegrijpt, wordt de moedereend wakker om nog juist een schaduw te zien wegschieten, die een piepend eendje met zich meevoert. Met een alarmeerend gekwaak wekt zij nu den ganschen hoenderhof, maar ook Pretty, die zich lekker in een hooiberg heeft opgerold en juist droomde van ratten- en muizenvangst...
... Aan den slootkant staat een dikke knotwilg, waarvan het gat in den voet een goede schuilplaats biedt en zonder zich een oogenblik te bedenken, schiet de bunzing naar binnen en klimt zoover hij kan in den hollen stam. Tegelijkertijd is Pretty voor het gat en ruikt haar vijand. Met een schel gekef tracht zij haar meester te wekken en als dit niet helpt, legt zij zich voor den boom, het hol goed bewakend.
Wanneer de morgen aanbreekt en de deeldeur opengaat, laat Pretty zich nogmaals hooren en dan begrijpt de boer, dat er iets bijzonders is. Hij en de knecht maken het gat aan den voet iets grooter en dan wringt de hond zich naar binnen. Een schel gekrijsch en fel gekef laten zich even hooren, dan vallen beide vechtend naar buiten. De strijd is kort en tot zijn blijdschap ziet de boer, dat zijn hondje hem heeft verlost van een der grootste vijanden van de boerderij.’ (H.E. Kuylman, 1936, pag. 24)

Dit verhaal uit De Boerderij typeert de boerenfox ten voeten uit.

Boerenfoxjes

Het boerenhondje kwam er toen ik tien was: zwart, halflang haar en met tipoortjes. Het leek eerder op een schepertje (herdershondje) dan een terriër. Het hondje heeft het zeventien jaar goed gedaan.
Mijn eerste boerenfox haalde ik jaren later, toen ik vierentwintig was, uit het asiel. De hond was daar met het predikaat ‘dominant’ terechtgekomen, maar hij kroop wel achter in de hoek van zijn hok weg toen ik hem eruit wilde halen. Het had een reden kunnen zijn om hem daar te laten. Hoewel ik niet helemaal groen was op het gebied van honden, weet ik eigenlijk tot op de dag van vandaag niet waarom ik die hond meegenomen heb. Het bleek echter een gouden greep. De hond was niet bang ondanks de eerste indruk, luisterde perfect, behalve als ik boos werd op hem, en haalde en passant verschillende certificaten, waaronder die van lawinehond.
De hond vertoonde dezelfde eigenschappen die Pretty in het Verkade-album aan de dag legde. Mijn boerenfox, Terza genaamd, was zelfstandig, zeer honkvast en zonder meer erg intelligent, zowel in het gebruik van zijn neus als op andere gebieden. Eigenschappen die doorslaggevend zijn tijdens een zelfstandige jacht en naar bleek, ook in het lawinewerk. Laat ik deze lofzang op mijn Terza beëindigen. Waar ik naar toe wil is het volgende: is de boerenfox een authentiek Nederlands landras of niet?

Landras?
Een rondvraagje bij hondenliefhebbers bracht aan het licht dat vrijwel iedereen zich bij een boerenfox een hondje van een bepaald type voor kan stellen. In de beleving van veel mensen zijn boerenfoxjes middelgroot, kortharig en twee- of driekleurig gevlekt. Niet zelden benoemen mensen ook dat je die hondjes ‘vroeger veel bij boerderijen zag’. Helaas regelmatig met de toevoeging dat ze dan vaak aan je broekspijp hingen als je voorbij gefietst kwam. Weinig mensen denken dat ze langharig zijn en ook effen gekleurde hondjes worden meestal niet als Boerenfox aangemerkt.
Iedere streek heeft zo zijn eigen kenmerkende hondjes. Zo zijn in Zwitserland heel vaak kleine Sennenhonden (Hondenmanieren, nr. 12, 2001) op boerderijen te zien. Meestal ziet de kynologie ergens pas een ras in als de hondjes zo goed als uitgestorven zijn. Zo is het in Nederland de Stabij en de Wetterhoun vergaan en eer men het goed en wel in de gaten had was de Friese Windhond uitgestorven. Ook de Hollandse Smoushond is ternauwernood aan de vergetelheid ontrukt.
Boerenfoxen zijn gelukkig niet zeldzaam. Je ziet ze overal en in de asiels zijn ze vaste klant, vrij vaak als het produkt van een ongewenste zwangerschap. Nu let ik overal waar ik ben op honden en vooral op rasloze honden en straathonden. Die wat curieuze belangstelling heeft bij mij de indruk gewekt dat de Boerenfox misschien niet een hondje is dat overal even veel voorkomt, maar eerder typisch is voor onze Lage Landen. Je ziet overal middelgrote hondjes, zelfs vrij vaak met vlekken, maar toch anders dan onze Foxen.
Er is nog iets wat bij mij de gedachte versterkt heeft dat de Boerenfox niet zomaar een bastaard is, maar zich onderscheidt van andere hondjes. Verschillende mensen betreurden het, onafhankelijk van elkaar, dat ze steeds meer met Jack Russell Terriërs vermengd raakten. Met andere woorden: de “echte Boerenfox” wordt schaarser en op een of andere manier onderscheidt hij zich van bijvoorbeeld de Parson Jack Russell of de Engelse Foxterriër.

Eigenschappen
Maar wat is nu een echte Boerenfox? Als je over een ras praat, dan kom je al snel tot het benoemen van typische eigenschappen. En wat zouden de eigenschappen voor de Boerenfox dan moeten zijn. Tenslotte vind je veel van de eigenschappen van Foxjes terug bij iedere willekeurige straathond, waar ook ter wereld.
Maar een paar eigenschappen durf ik dit hondje toch wel toe te dichten. Allereerst zijn het vaak erg honkvaste hondjes die behoorlijk sterk op hun eigenaar gericht zijn, dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de verschillende Terriërs, die veel meer als jachthond in gebruik zijn. Hoewel boerenfoxen tamelijk eigenwijs zijn, zijn ze uitstekend te trainen en hoeft gehoorzaamheid geen probleem te zijn. Het zijn wel felle, wat kefferige honden die, als ze de vrije hand krijgen, gemakkelijk eigen initiatieven tonen, ook ongewenste. Het najagen van voorbijgangers, zoals vroeger die erfhondjes dat deden, is daar een gevolg van.
Het formaat is dat van een middelgrote hond met een schofthoogte variërend van 40-50 cm. Het gewicht schommelt tussen de 11 en 14 kg. Soms zie je tamelijk plomp gebouwde hondjes, soms ook fijn gebouwde hondjes. Kortbenigheid zie ik zelf als een inmenging van andere hondjes en is niet typisch voor een boerenfox.
De vacht is eigenlijk steeds kort stockhaar met weinig ondervacht. De variatie boerenhondjes is echter oneindig en als er iets variabel is in deze categorie honden, is het vachtkleur en structuur. Toch stellen de meeste mensen zich een wit hondje met zwart en/of bruine vlekken voor.

Verwantschap met andere rassen?
Als we de boerenfox als een landras aanmerken, zou er dan verwantschap bestaan met andere kleine boerenhondjes, zoals de Kooikerhond of de Smoushond. Kooikers gebruikten bij voorkeur hondjes met een hooggedragen pluimstaart, omdat dat de eenden aantrok. Niettemin bond de kooiker ook wel een bos stro aan de staart, en vroeger gebruikten veel kooikers een wit hondje met een hoge staart. Vaak waren dat hondjes die je nu een boerenfox zou kunnen noemen. En het leven in de kooi was geen vetpot voor de kooiker en meestal had hij er nog een baan bij. Het is daarmee onwaarschijnlijk dat hij veel tijd, geld of moeite in zijn honden kon investeren.
Het grappige is dat kortharige vachten dominant zijn over langharige vachten. In de praktijk levert dat dus veel meer kortharige honden op. Zouden kooikers vroeger een voorkeur gehad hebben voor langharige boerenfoxen voor het werk in de eendenkooi en zo een ‘eigen ras’ gefokt hebben? Naast het typische kooiwerk deed de kooikerhond ongeveer hetzelfde als de vroegere erfhondjes: waken en ongedierte vangen. Maar omdat langharigheid een functie had voor de kooiker is er een kans dat ze er op geselecteerd hebben in plaats van af te wachten. Tenslotte leefden zowel de vroegere kooikerhond als de erfhondjes binnen de cultuur van het platte land en de kans dat er paringen tussen deze honden plaatsvonden moet groot geweest zijn. Weliswaar legden veel kooikers hun hondjes vast zodat ze de rust in de kooi niet verstoorden, maar veel boeren deden dat niet. Een loops teefje kon gemakkelijk een keer gedekt worden door zo’n zwerver.


U snapt dat ik graag een Boerenfox zie en ik ben de eerste die toegeeft dat mijn gevoelens voor deze hondjes door jeugdsentiment gekleurd zijn. De vraag is of de Boerenfox een hondje is waar we ons voor in moeten spannen.